Een andere koers

1. Duurzaamheid

De focus op duurzaamheid wordt steeds sterker in de gehele sector. Werkprocessen veranderen, kennis veroudert en innovatie gaat razendsnel. Met de groei van de wereldbevolking en de mondiale welvaart neemt ook de vraag naar energie, voedsel en grondstoffen zoals water, mineralen en metalen toe. Er is echter een beperkte hoeveelheid grondstoffen beschikbaar. Daarnaast vormt de uitstoot door grootschalig grondstoffengebruik een bedreiging voor de leefomgeving. Als er niets verandert, overstijgt het CO2 uitstootniveau in 2034 de grens wat zorgt voor o.a. extreme klimaatsveranderingen. De economische impact wordt vergroot door de onderlinge afhankelijkheid tussen klimaatverandering en grondstoffen schaarste, met grote invloed op voedsel- en waterproblematiek. Het Klimaatakkoord, energieakkoord en het Rijksbrede programma circulaire economie zijn gericht op het beperken van de klimaatverandering en het voorkomen dat grondstoffen uitgeput raken.

Jan Cromwijk, ISSO, kennisinstituut voor bouw- en installatietechniek

Het verduurzamen van de gebouwde omgeving heeft waarschijnlijk een piek rondom het jaar 2030-3035. Dit gaat heel wat veranderingen betekenen voor het onderwijs.

GEVOLGEN ENERGIEAKKOORD BOUW EN TECHNIEK

Experts geven aan dat de energietransitie geen trend op zich is, maar meer een tendens. In grote lijnen focust de energietransitie zich op het vervangen van fossiele brandstoffen door hernieuwbare energiebronnen. Het gaat om reductie van de uitstoot van broeikasgassen en anderzijds komt het ook voort uit het feit dat nieuwe technieken rendabel inzetbaar zijn t.b.v. het opwekken van nieuwe vormen van energie.  De doelstelling is dat er over 30 jaar geen aardgas meer gebruikt wordt en dat de meeste energie via duurzame bronnen wordt opgewekt. Het is een belangrijke ontwikkeling en een goede samenwerking tussen overheid, onderwijs en bedrijfsleven is cruciaal, zij bepalen samen de stappen die nodig zijn voor het behalen van de energieopgave.

“De energietransitie heeft een grote impact omdat het invloed heeft op de inhoud van het werk. Het is belangrijk, omdat er in de opleiding maar ook in het huidige werk steeds meer aandacht moet zijn voor de energie, de grondstof die gebruikt wordt en het afval dat vrijkomt bij de productie”
Cees Alderliesten, Deltalinqs en Katapult.

Voor de sector Techniek en gebouwde omgeving heeft de energietransitie grote gevolgen. De bouwsector heeft een wereldwijde CO2-uitstoot van 18 procent en bijna 60 procent van het totale energieverbruik wordt in de industrie verbruikt. Binnen de industrie is de chemische en farmaceutische industrie de grootste verbruiker (Rijksoverheid1). Gebouwen verbruiken veel energie door het verwarmen en koelen van ruimtes en het gebruik van huishoudelijke apparaten. Daarnaast, en daar wordt volgens Ellen van Bueren (TU Delft) vaak aan voorbij gegaan, is er sprake van embodied energy, de energie die al in de bouwmaterialen zit. Uit een rapport van Ecofys blijkt dat over de gehele levensduur van een gebouw alleen al de bouw en bouwmaterialen tot wel 50 procent van de totale CO2-uitstoot kunnen omvatten. De keuzes in bouwmaterialen, het ontwerp en de bouw zijn van groot belang voor de energietransitie. Eén voorbeeld  van een concrete verandering in de bouw is een betere gebouwisolatie, zodat er minder energie nodig is voor het verwarmen en koelen van ruimten.

“Bij zowel bouw- als installatiebedrijven, is er meer kennis nodig over hoe technieken goed te combineren zijn. En hoe zorg ik ervoor dat het werk steeds beter gedaan wordt, zodat de techniek die ik ga inbrengen goed werkt. Je ziet vanuit de verduurzaming een groeiende vraag naar warmtepomptechniek. Om een warmtepomp goed toe te passen, moet het gebouw eerst goed geïsoleerd zijn. En op het moment dat een installateur bij een woning komt en de bewoner vraagt, ik wil een warmtepomp dan moet de installateur het vakmanschap bezitten om in te schatten of dat in de woning kan. Op het moment dat het niet kan, moet de installateur het inlevingsvermogen hebben om te adviseren dat de woning eerst goed geïsoleerd moet worden en de bewoner doorverwijzen naar waar hij/zij dat het beste kan regelen. De installateur moet kunnen samenwerken en dingen in samenhang zien”
– 
Jan Cromwijk, ISSO, kennisinstituut voor bouw- en installatietechniek.

“De algemene ontwikkelingen over energietransitie moeten worden meegenomen in het lespakket zodat men wel bewust wordt van wat de veranderingen kunnen zijn
– Agnes Flinkenflögel, Enexis Groep.

EFFECT ENERGIETRANSITIE OP DE TECHNIEKBRANCHE

De energietransitie gaat in de installatiebranche volgens experts nog te langzaam. Het overgrote deel van de installateurs vervangt een kapotte cv-ketel door een nieuwe cv-ketel en denkt nauwelijks aan het installeren van een warmtepomp. Volgens gegevens van OTIB telt de technische installatiebranche op dit moment ongeveer 10.000 bedrijven met ruim 120.000 medewerkers en is daarmee één van de grootste branches in Nederland. Uit onderzoek blijkt dat installateurs de energietransitie behoorlijk kunnen versnellen. Echter worden er in het onderzoek een aantal drempels beschreven (Elinterim). De eerste drempel is een tekort aan werknemers. 

Door het grote aantal werknemers van gemiddeld 50 jaar stromen er in de installatiebranche de komende jaren veel oudere werknemers uit. In de afgelopen 10 jaar verdubbelde het aantal 55-plussers en men verwacht nog een flinke stijging voor de komende jaren, dit met het oog op het grote aantal 45-plussers. Het bestaande tekort aan personeel in de installatiebranche zal hiermee groeien. Vanuit de branche (OTIB) wordt hard gewerkt aan plannen om scholieren, studenten en zij-instromers te interesseren voor het installatie vak en om het tekort aan te vullen.

De tweede drempel m.b.t. de energietransitie worden ervaren door de installateurs en heeft betrekking tot:

  1. Sociaal; leren, communiceren, samenwerken
  2. Technisch; niet geschikt, ingewikkeld/integraal, niet mogelijk
  3. Economisch; voorraad, vraag (terugverdientijd, investering), marge

De energietransitie is te verdelen op twee assen, te zien in de visie van het VNCI (afbeelding 1). Deze visie geeft aan welke factoren een rol spelen bij de gehele transitie en de behoefte van het werkveld om succesvol richting een circulaire economie te bewegen. In de afbeelding is de weg van een fossiele economie naar een circulaire economie en van een industrie 2.0 naar een industrie 4.0 te zien.

 

“De twee belangrijkste trends in de procesindustrie kun je kwijt op twee assen: een horizontale as voor verduurzaming en een verticale as voor digitalisering. Het proces van digitalisering gaat sneller dan het proces van verduurzaming. Om het assen systeem zit een schil die gaat over randvoorwaarden. Het gaat dan om bemensing van de sector maar ook over de veiligheid gedurende het transitieproces, die ten alle tijde geborgd moet zijn”
Onno de Vreede, VNCI.

Afbeelding 1

Voor de proces- en chemische industrie geldt dat ze momenteel ongeveer bij stap 3.0 zijn gezien de huidige voortgang van automatisering in fabrieken (afbeelding 1 verticale as). Dat betekent dat er momenteel steeds meer bedrijven zijn die investeren in geautomatiseerde fabrieken, dat de digitalisering in bedrijven toe neemt en dat er is steeds meer bewustwording is over duurzaamheid. Anderzijds zijn er nog een heleboel bedrijven die manuele processen erop nahouden en nog te weinig ICT inbedden in de werkprocessen.­ Dit komt doordat de bedrijven installaties van 30 jaar oud hebben die nog een aantal jaren kunnen draaien. Dit zijn verouderde omgevingen, nieuw te bouwen bedrijven zijn over het algemeen wel in verlengde van nieuwe ontwikkelingen opgezet.

“Je hebt een tweedeling binnen bedrijven, de oude “manuele” bedrijven en de nieuwe “geautomatiseerde” bedrijven. De manuele bedrijven worden (ook) in stand gehouden omdat werknemers niet klaar zijn voor nieuwe ontwikkelingen en/of enkel kunnen en willen vertrouwen in oude bewezen procedures / werkwijzen. Onderwijs heeft hierin een rol, het gaat dan om bewust maken van de mogelijkheden en zekerheden die nieuwe technologie met zich meebrengt. De / Een afgestudeerde MBO drie of vier student neemt dit beeld mee naar het werkveld (ambassadeur)”
Hans Wentink, STC group.

GEVOLGEN CIRCULAIRE ECONOMIE BOUW EN TECHNIEK

Circulaire economie is een systeem dat de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen en het herstellend vermogen van natuurlijke hulpbronnen als uitgangspunt neemt, waarde-vernietiging in het totale systeem minimaliseert en waarde creatie in iedere schakel van het systeem nastreeft. Dat behoeft net als de energietransitie een systeemverandering, met oog voor de hele keten. De circulaire economie zorgt enerzijds voor een betere omgang van grondstoffen en anderzijds helpt het ook om broeikasgassen te reduceren. Het circulair bouwen, bijvoorbeeld zorgt voor een grote bijdrage aan de energietransitie en de klimaatopgave. Bovendien biedt de circulaire economie de kans meerdere problemen in één keer op te lossen. In de bouwsector biedt het bouwbedrijven de kans op meer innovatie en stabiele verdienmodellen.

Voor de bouw betekent het omarmen van de circulaire economie in twee stappen (1) hergebruik en recycling materialen, (2) vervanging van fossiele grondstoffen. De eerste stap is meer hergebruik en recycling van materialen en producten, bijvoorbeeld door de bakstenen van een oud gebouw opnieuw te gebruiken. De tweede stap is de vervanging van fossiele grondstoffen. Dit geldt zowel voor bouwmaterialen als voor het energieverbruik van een gebouw. Van deze meer duurzame alternatieven is de verwachting dat ze minder schadelijke grondstofstromen tot gevolg hebben (Circulair Times).

Een voorbeeld hiervan is de inzet van biomassa voor het maken van bioplastic of de gerecyclede biobased Ecor panelen (nanotechnologie). In de bouwsector kan het op grote schaal inzetten van duurzaam hout als bouwmateriaal een eenvoudige en doeltreffende methode zijn om het CO2-gehalte in de atmosfeer te verlagen. De koolstof die door een boom tijdens zijn levensduur uit de atmosfeer werd gehaald, blijft ook opgeslagen gedurende de levensduur van het uit het hout vervaardigde product. Houten gebouwen hebben een levensduur van 80 tot 100 jaar. Het hout kan daarna worden hergebruikt of gerecycled, waardoor de levensduur opnieuw jaren wordt verlengd. De CO2 kan daardoor decennia tot meer dan een eeuw bewaard blijven. Een voorbeeld van hout als koolstofreservoir is laminaathout, ook wel Cross Laminated Timber (CLT). Omdat bij de productie van het laminaat geen fossiele brandstoffen nodig zijn en het hout CO2 in zich heeft opgenomen, heeft dit materiaal dus een veel lagere impact op het milieu dan alternatieven als staal of beton. CLT wordt daarnaast geprefabriceerd, wat een flinke besparing op transport en CO2-uitstoot oplevert. Klik hier voor een voorbeeld van een bouwproject gemaakt van CLT (Newcraft).

 

Nico van Leeuwen, ROVC

Duurzaamheid voor de bouw betekent het gebruik van primaire grondstoffen, ander energieverbruik, en minder vervuilde uitstoot en afval. De kunst in het onderwijs is het overbrengen van kennis over innovaties die dit mogelijk maken en de studenten meenemen in de wereld van circulair bouwen.

Impact beroepsonderwijs

De energietransitie en de overgang naar een circulaire economie hebben een grote impact op het beroepsonderwijs. Dit beslaat niet alleen het initieel onderwijs maar ook het post-initieel onderwijs. De koers van de energietransitie bepaalt uiteindelijk welke competenties, kennis en vaardigheden een student in de techniek maar ook in de bouw moet bezitten. Momenteel is het onduidelijk met welke concrete oplossingen er voor de energietransitie zijn, gaan we bijvoorbeeld warmtepompen gebruiken of toch warmtenetten? Ook kunnen meerdere oplossingen tegelijk toegepast worden zoals het overgaan op biogas en groene energie. Het is om die reden van belang dat studenten de energietransitie begrijpen en voldoende kennis op doen van nieuwe ontwikkelingen, ermee kunnen omgaan en het eigen maken. Hier hoort kennis over verschillende alternatieven bij zoals bijvoorbeeld (hybride) warmtepompen, warmtenetten, zonneboilers en geavanceerde ventilatiesystemen en kennis over de circulaire economie (alternatieve grondstoffen, hergebruik en recycling, afvalstromen etc.).

Daarnaast moeten studenten beschikken over goede communicatieve vaardigheden en leren samenwerken. De studenten moeten zichzelf uiteindelijk ontwikkelen tot een
T-shaped professional waarbij ze diepgaande kennis hebben van hun vakgebied, maar ook weten te verbinden met aanpalende disciplines.

Meer communicatie met een klantgerichte benadering (service en verkoop) en het samenwerken in projecten wordt steeds belangrijker voor monteurs in de installatiebranche. Ook is er meer kennis nodig over duurzaamheid en technieken, zodat er goed advies gegeven kan worden richting klanten.

“De ventilatietechniek is nu een ondergeschoven kindje, zodra we gaan verduurzamen betekent dat dat ventilatietechniek bijna de belangrijkste techniek wordt. Er mogen steeds kleinere kieren zijn in de woning, sterker nog bij een 0-energie woning mag je maximaal een visitekaartje aan gaten en kieren hebben in het huis. Momenteel heeft een bestaande woning misschien wel een A3 aan gaten en kieren. Om te zorgen voor een duurzaam huis komen er dus steeds geavanceerdere ventilaties en isolatie systemen”
Jan Cromwijk, ISSO, kennisinstituut voor bouw- en installatietechniek.

“De energietransitie is voor de ondergrondse infra een belangrijke ontwikkeling, ongeveer 20 procent van de energietransitie vindt onder de grond plaats. Als wij ons werk niet doen dan vindt de gehele transitie niet plaats. En voor ons is belangrijk: wat gaat het klimaatakkoord doen? Wat gaat men beslissen? Waar gaat geïnvesteerd in worden, dan weten wij welk soort mensen we moeten opleiden. Voor de bedrijven is het noodzakelijk om te weten wat het gaat brengen, moet bijvoorbeeld het gas afgebouwd worden of juist niet? Wat het uiteindelijk ook gaat worden, studenten kunnen nu al voorbereid worden door de verschillende alternatieven aan te bieden in keuzedelen zoals een module biogas en/of waterstofgas”
– Brenda Witzier, Vakgroep Ondergrondse Netwerken en Grondwaterbeheer, Bouwend Nederland.

SECTORALE TRENDS TGO INHOUDSOPGAVE