Grote maatschappelijke uitdagingen versterken de transitie van de branche

1. Duurzame productie en leefomgeving

Omschakeling naar kringlooplandbouw in 2030 is nodig om de landbouw, tuinbouw en visserij nieuwe perspectieven te geven. Eén van de grootste uitdagingen voor Nederland is de toekomstige ontwikkeling van de agrosector en de bijdrage die de sector kan leveren aan het aanpakken van grote maatschappelijke uitdagingen. Duurzame vormen voor de agro-industrie zijn kringlooplandbouw, natuurinclusieve landbouw, circulaire landbouw, stadslandbouw en groen in de stad. Het gaat hierbij om leefomgeving in brede zin: in de stad en op het platteland; voor mensen en dieren en planten, waarbij er een balans moet zijn tussen economie, welzijn, gezondheid en biodiversiteit.

OMSCHAKELING AGRARISCHE SECTOREN

De huidige Nederlandse voedselproductie is het resultaat van een grootse ontwikkeling die in de landbouw in de pakweg afgelopen 100 jaar heeft plaatsgevonden. Mechanisatie, gewasbescherming, specialisatie en intensivering hebben de productiviteit opgestuwd tot een zeer hoog niveau. Omschakeling naar kringlooplandbouw in 2030 is nodig om de landbouw, tuinbouw en visserij nieuwe perspectieven te geven. Het is een omschakeling van voortdurende verlaging van de kostprijs van producten naar voortdurende verlaging van het verbruik van grondstoffen en een zorgvuldig beheer van bodem, water en natuur. Het realisatieplan visie LNV omschrijft de beleidsinzet die deze omschakeling omschrijft. Het beleid bevordert en ondersteunt:

  • Precisielandbouw en innovatie op boerenerf
  • Het bieden van meer experimenteerruimte
  • EU-beleid (waaronder GLB) gericht op kringlooplandbouw
  • Het benutten van overheidsgrond voor omschakeling
  • Het benutten van reststromen via samenwerking
  • De boer belonen voor duurzaam produceren
  • Het wegenemen van belemmerende regels rond mest en afval
  • Het ondersteunen van korte ketens

Met de internationale accordering van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) en de ondertekening van het Klimaatakkoord in Parijs is het duidelijk dat de bestrijding van armoede, honger en ondervoeding, het bevorderen van duurzame productie en consumptie en de aanpak van klimaatverandering prioriteit krijgen van internationale regeringsleiders. Eén van de grootste uitdagingen voor Nederland is de toekomstige ontwikkeling van de agrosector en de bijdrage die de sector kan leveren aan het aanpakken van grote maatschappelijke uitdagingen. De agrarische sector is onderhevig aan grote veranderingen door:

  • De groeiende consumentenvraag naar gezond voedsel. Consumenten in met name rijkere landen vragen steeds vaker om duurzaam geproduceerde producten. De consument wil vaker onbespoten producten en verwacht dat de sector goed met dieren omgaat. Uit onderzoek van Ruigrok Netpanel in opdracht van Bionext (2019) blijkt dat het aandeel biologische producten toeneemt. Van zeven op de tien consumenten zijn de boodschappen deels biologisch. Het onderzoek laat zien dat bijna de helft van de mensen die biologisch koopt, dit steeds vaker doet dan voorheen. Consumenten kopen biologisch om bewuster om te gaan met het milieu (56 procent) en het ruimere assortiment (50 procent) zijn daarbij de grootste drijfveren. Andere redenen zijn gezondheid (24 procent) en smaak (18 procent).
  • Consumenten stellen hoge eisen aan voedselkwaliteit en productiewijze. Ze houden zich steeds meer bezig met de herkomst van eten en de impact van het voedselsysteem op de wereld om hen heen. Er wordt veel energie gestoken in voedselinitiatieven: van voedselproductie in de stad tot coöperatieve markten. Daardoor vindt een verschuiving plaats van gangbare landbouw naar de meer extensieve ‘keurmerklandbouw’. Deze heeft een kleinere veestapel en een productiewijze, die verder gaat dan wettelijke eisen rond dierenwelzijn, bodemecologie, kunstmest en bestrijdingsmiddelen (SBB2). Jules Sanders (LTO) bevestigt dit: “De druk vanuit de maatschappij dat de sector goed doet voor het milieu en het welzijn van dieren neemt toe. The ‘license to produce’ wordt belangrijker. Je ziet bijvoorbeeld de discussie rond de varkenshouderij en alle acties die in het nieuws zijn. Het is dus wel belangrijk dat je op een goede manier met je dieren omgaat en dat vervolgens kan laten zien aan je omgeving. En dat je een betrouwbare sector bent die de dingen goed voor elkaar heeft. En dat je wilt voorkomen dat er zaken gebeuren die niet goed zijn voor de dieren.”

Het kabinet heeft samen met de regio 340 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de uitvoering van acht Regio Deals. Een flink aantal hiervan zet in op duurzame verandering in voedselproductie, de circulaire (biobased) economie: op een goede balans tussen landbouw, natuur en leefomgeving. Een Regio Deal is een partnerschap tussen Rijk en regio om samenwerkingen in de regio aan te pakken. Tot 2022 trekt het kabinet hier in totaal bijna één miljard euro voor uit. Bij de samenwerkingsverbanden in de regio zijn diverse groene onderwijsinstellingen betrokken (Groenpact1).

Voorbeelden van initiatieven zijn:

  • Bedrijven pakken via initiatieven als ‘The Sustainability Consortium’ en ‘Duurzame Zuivelketen’ onderwerpen als duurzaamheid en veilige voeding zelf op. Dit is een samenwerkingsverband tussen Nederlandse zuivelondernemingen en melkveehouders, dat zich richt op het realiseren van een toekomstbestendige en verantwoorde zuivelsector (WUR3).
  • De tuinbouw werkt hard aan het verder verduurzamen van haar energiebehoefte middels biomassa, geothermie en soms restwarmte. Beschikbaarheid van CO2 blijft echter cruciaal (Rabobank5).
  • Er is veel aandacht voor het ontwikkelen en implementeren van rendabel nieuwe teeltsystemen in de vollegrondstuinbouw die voldoen aan de EU-richtlijnen voor waterkwaliteit. Het nieuwe telen, een verzamelnaam, gaat over de toepassing van nieuwe technieken die bijdragen aan energiebesparing, duurzame teelt of efficiëntere teelt. ‘Teelt de grond uit’ is een innovatie die door telers zelf is geïnitieerd (groenkennisnet.nl).

Op veel terreinen ontwikkelt de agro-industrie zich tot een meer duurzame industrie. Er zijn diverse vormen van duurzamere landbouw, waar de student kennis van moet hebben. “Als agrarisch medewerker, en dan bedoelen we ook de loonwerkers, moet je nadenken over je rol in de maatschappij en ook over hoe je een eerlijke boterham kan verdienen. Het beroepsonderwijs zou daar in ieder geval kennis over moeten aanbieden en zorgen dat ze bij de student awareness creëren. Iemand die boer wil worden zou bijvoorbeeld verplicht een keer stage moeten lopen bij een bedrijf met een ander bedrijfsmodel. Dat je vastlegt in je onderwijsprogramma dat je aandacht besteedt aan intensieve landbouw maar ook aan andere alternatieve modellen. De studenten van nu zijn straks zelf ondernemer en krijgen nu de kans om het anders te doen.”
Evelyne van Dongen, KennisCentrum Natuur en Leefomgeving.

De diverse vormen waarmee de agro-industrie duurzamer kan worden zijn:

KRINGLOOPLANDBOUW

Kringlooplandbouw draait om het optimaliseren van het bedrijfsrendement (economisch en sociaal-maatschappelijk) door zoveel mogelijk gebruik te maken van eigen resources in evenwicht en met respect voor de natuurlijke omgeving. Denk hierbij aan bodem-, lucht-, water- en natuurkwaliteit, landschappelijke waarde, klimaat en dierenwelzijn. De reststromen van de ene keten zijn de grondstoffen voor een andere keten. Zo wordt bijvoorbeeld voedsel dat wij niet meer eten als diervoer gebruikt. Om tot zo’n circulair landbouwsysteem te komen, hebben we een transitie nodig waarin plantaardige en dierlijke productieketens slim aan elkaar worden geknoopt (WUR4). Kringloopboeren zijn daarom goed voor de omgeving, de bodem, biodiversiteit en het klimaat. Naast agrariërs die zich onder de naam ‘kringloopboeren’ verenigen zijn er boeren die volgens dezelfde principes werken. Er zijn verschillende bedrijfstypen te onderscheiden, elk gekarakteriseerd door de nadruk op één of enkele aspecten van de bedrijfsvoering, zoals volledig productiegericht, natuurgericht of efficiëntiegericht. De groep “Maximale benutting eigen resources” is te karakteriseren als boeren die bewust omgaan met hun resources zoals bodem, agrobiodiversiteit, mest en geld. Ze nemen hun omgeving (biodiversiteit, natuur, landschap en klimaat) mee in de bedrijfsvoering en leveren meerdere, elkaar versterkende producten en diensten leveren (Louis bolk instituut).

NATUURINCLUSIEVE LANDBOUW

Natuurinclusieve landbouw is een vorm van duurzame landbouw, waarbij landbouw onderdeel is van een veerkrachtig eco- en voedselsysteem. Het maakt optimaal gebruik van de natuurlijke omgeving en integreert deze in de bedrijfsvoering. Natuurinclusieve landbouw produceert voedsel binnen de grenzen van natuur, milieu en leefomgeving, met een positief effect op de biodiversiteit (WUR2). Natuurinclusieve landbouw moet leiden naar een landbouw die hoogwaardig, veilig voedsel oplevert, die het milieu minder belast, zorgt voor verbetering van biodiversiteit op het boerenland en die de belevingswaarde van het agrarisch landschap verhoogt. Dat vergt een lang proces waarin elke stap weer iets beters oplevert dan de vorige. Brede betrokkenheid is noodzakelijk. Steun is nodig vanuit de landbouwsector, vanuit het beleid en vanuit de samenleving.

Er is overlap tussen de concepten kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw. In kringlooplandbouw staat efficiënter omgaan met grondstoffen centraal, met als resultaat bijvoorbeeld verminderd kunstmestgebruik. In een natuurinclusieve landbouw worden natuurlijke processen beter benut, zoals stikstofbinding door vlinderbloemigen. Hierdoor zijn minder inputs zoals kunstmest nodig. Bepaalde maatregelen zijn zowel natuurinclusief als kringloop gericht (WUR2).

BIODIVERSITEIT

Biodiversiteit omvat het totaalpakket aan levende organismen en systemen en de interacties daartussen. Het is kortweg de verscheidenheid aan leven in een bepaald gebied. Biodiversiteit omvat alle soorten planten, dieren en micro-organismen, evenals de enorme genetische variatie binnen die soorten en de variatie aan ecosystemen waar ze deel van uitmaken, van moerassen tot woestijnen. Het gaat dus lang niet alleen over bloemen, bomen en aaibare beesten. Biodiversiteit heeft een dempende werking op invloeden die een gebied onder druk zetten, zoals plagen, vervuiling en klimaatverandering. Een gemengd bos gaat bijvoorbeeld niet zo snel plat tijdens een storm, in tegenstelling tot een dennenplantage. En een soortenrijk wetland kan afvalwater zuiveren (WUR5). Volgens Jeroen Zijlmans (VHG) is er steeds meer aandacht voor biodiversiteit: “Groen levert een bijdrage aan het oplossen van problemen zoals biodiversiteit en waterberging met bijvoorbeeld hitte-stress groene daken, groene gevels. Ineens komt er veel geld voor onze markt. Voor onze hoveniers is dat goede handel. Ook levert groen niet alleen een oplossing voor milieuproblemen, mensen voelen zich ook beter wanneer ze werken in een groene omgeving.”

Op 19 december 2018 is het Deltaplan Biodiversiteit gepresenteerd. Vertegenwoordigers van de agrarische sector, ketenpartijen, onderzoekers, natuur- en milieuorganisaties en de financiële sector hebben de handen ineengeslagen om samen de biodiversiteit in Nederland te vergroten. Het betreft een unieke samenwerking die belangrijk nieuws is voor boeren en tuinders.

In de hele voedselketen is er veel voedsel dat wordt geproduceerd, maar uiteindelijk niet wordt benut. Dat zijn overblijvende nutriënten waarmee insecten kunnen worden gevoed. Zo kunnen insecten als duurzame voeding dienen voor vis en kip, net als in de natuur. Het bedrijf Protix is opgericht met als doel bij te dragen aan een duurzaam voedselsysteem door ingrediënten te ontwikkelen die zijn gemaakt van insecten (Duurzaam Bedrijfsleven2).

Om met zijn allen voor verandering te zorgen zou kennis over ecosystemen en biodiversiteit in het basisdeel van de opleiding moeten zitten. Evelyne van Dongen (KennisCentrum Natuur en Leefomgeving) vertelt daarover: “Met elkaar zijn we het erover eens dat het geen houdbaar systeem is. Je zult ook als ondernemer moeten kijken naar jouw rol in de maatschappij. Insecten, dat stuk van biodiversiteit, of het nou de boer is die insecten nodig heeft voor bestuiving of een hovenier die aan de slag moet met een duurzame tuin. Ze moeten kunnen uitleggen wat het belang is van een gezonde bodem met een rijk bodemleven. Daar is kennis voor nodig. De hovenier moet weten hoe je op een schuurtje een groen dak kunt maken. Ook is het nodig dat de hovenier de klant stimuleert om te komen tot de juiste keuzes van planten; planten die goed zijn voor de biodiversiteit en dus voor de insecten. Die kennis moet ook in het groen onderwijs komen. Voor een boer is het belangrijk om te weten wat hij kan doen voor zijn natuurlijke plaagbestrijders. Het bewust zijn van je maatschappelijke rol als agrarische ondernemer hoort bij de opleidingen.”

“Een agrarisch loonwerker moet bewust stilstaan bij het type mest en de vraag of de mest goed wordt opgenomen. Zorg je ervoor dat er meteen een ander gewas gezaaid wordt, zodat de mest die overblijft gebruikt kan worden? En wordt het regenwater verantwoord afgevoerd? We merken dat we steeds meer verdroging krijgen en als het regent dat het dan meteen heel hard is. Het is dan duurzamer om dat water goed op te vangen. Je moet veel meer inzicht krijgen als leerling in de omstandigheden en wat de gevolgen zijn van je werk i.p.v. alleen de technische handelingen uitvoeren.”
Dick Klop, Cumela

HOVENIER

Ook voor de opleiding tot hovenier is van belang om kennis over biodiversiteit over te brengen, Jeroen Zijlmans (VHG) vertelt daarover:

  • “Als voorbeeld: bladeren in de herfst; eigenlijk moet je de bladeren niet verwijderen dat is dodelijk voor je biodiversiteit. Een hovenier moet de klant daarover informeren. Je moet een hoekje met brandnetels laten staan want daar komen vlinders op af. Dat verhaal moet een student dan wel leren en weten om de dingen te brengen die we doen. Dat betekent voor een medewerker dat hij moet weten wat zit er voor biodiversiteit in de tuin en je moet soms een ander plantenassortiment hebben om dat aan te trekken.”
  • “Vroeger hadden we arsenalen aan chemische middelen. Je spoot alles plat. Nu kijk je integraler, je bodemhuishouding moet goed zijn. Dat is de ouderwetse vakkennis een student moet leren. Beplanting wordt ook een belangrijk verhaal van biodiversiteit. Van een student moet diens plantenkennis op peil zijn. Je hele verhaal over klimaat moet je goed op orde hebben, je moet weten waarom groen goed is.”
  • De levende tuin draagt bij aan een grote variatie van planten en dieren, een verbeterde luchtkwaliteit, verkoeling, de opvang en aanwezigheid van water en het genieten van het voedsel uit eigen tuin.Tien jaar geleden startten we de eerste levende tuin; toen was dat revolutionair. Je moest je regenwater de tuin indoen in plaats van in het riool. Nu zijn we met levende gebouwen gekomen. Binnen groen en wat voor invloed dat op de mens heeft. Groen binnen is bij de meeste bedrijven bakken met groen die 1x per maand water krijgen. Maar je ziet steeds meer groene muren en parkjes in bedrijven. Je krijgt een kruising tussen bloemisten en hoveniers; dat is weer een nieuwe ontwikkeling.”

CIRCULAIRE LANDBOUW

Circulaire tuinbouw houdt o.a. in zuinig omgaan met energie en water, duurzaam bodembeheer, het tegengaan van lekken van grondstoffen, emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar bodem, water en lucht en voorkomen van verspilling en inefficiënties. Het Nederlandse tuinbouwcluster heeft al op veel fronten stappen gezet op weg naar een circulaire sector (Greenports).

Hoveniers krijgen steeds meer te maken met de trend van circulariteit. Als je een tuin gaat renoveren, is het makkelijk om alles weg te halen en alles nieuw te halen; dat is lekker efficiënt. Maar het zou veel meer moeten zijn ‘dit is er en wat kan ik hergebruiken? Dat is veel meer een mindset dan een kunstje om te leren. Wat in al deze dingen nog belangrijker is, is dat de rol van docent verandert. Vroeger had je een kennismonopoly op de opleiding, maar de bedrijven hebben de kennis van de innovatie. De onderwijzer moet deze bedrijven als gastdocent of d.m.v. excursie binnenhalen. Duurzaamheid is ook technisch; daktuin bijvoorbeeld is technische een lastig klusje. Dat is kennis die je van buiten moeten halen; leveranciers, bedrijven moeten daarin samenwerken.”
– Jeroen Zijlmans, VHG

Versnellen en opschalen van de transitie naar een circulaire economie draagt bij aan de klimaatopgave. Ook in de kabinetsreactie op de transitieagenda’s zijn de raakvlakken met de energie- en klimaattransitie benoemd en is de bijdrage van circulaire economie aan het realiseren van de klimaatdoelen geduid. Wanneer fossiele en andere niet-hernieuwbare grondstoffen worden vervangen door hernieuwbare bronnen, zoals biomassa en recyclaat uit reststromen, kan dit een aanzienlijke CO2-reductie betekenen. Die ontstaat ook door producten en grondstoffen in een gesloten kringloop te houden. Daarnaast draagt een circulaire economie bij aan de voorzieningszekerheid van schaarse grondstoffen, die hard nodig zijn voor de energietransitie. Het uitvoeringsprogramma geeft vorm aan de overgang naar een circulaire economie in de jaren 2019 tot en met 2023.

STADSLANDBOUW

De efficiëntie van de (voedsel)productie moet met een factor vier toenemen om aan de vraag te voldoen. Meer dan de helft van de wereldbevolking woont in de stad. Naar verwachting woont in 2050 twee derde van de wereldbevolking in steden. Hierdoor neemt de druk op grond en ruimte toe, groeit de behoefte aan leefbare structuren en is er steeds meer vraag naar lokaal geproduceerd voedsel. Stad en platteland raken steeds meer met elkaar vervlochten. Wageningen University & Research ziet kansen voor nieuwe vormen van landbouw met een natuurlijke plek in en om de stad. Steeds meer stedelingen houden zich bezig met de herkomst van eten en de impact van het voedselsysteem op de wereld om hen heen. Er wordt veel energie gestoken in voedselinitiatieven: van voedselproductie in de stad tot coöperatieve markten en lokaal voedsel in zorginstellingen. Ook bruist het van de innovaties en veranderingsgezinde ondernemers, die oplossingen zoeken voor het voeden van de stad (SBB2 en WUR6).

De voedselverwerking van de toekomst draait om het beperken van energieverliezen. We zullen voedsel uit alternatieve landbouwsystemen als voedselbossen omarmen, net als stadlandbouw. Het voedsel van de toekomst zal vaker van dichtbij huis komen. Stadslandbouw kan variëren van balkon- en daktuin in de binnenstad tot volkstuinen en professionele stedelijke voedselproductie en voedselverwerking aan de rand van de stad. Iedere verschijningsvorm verdient zijn eigen plek in de stad en kan bijdragen aan een duurzame en leefbare stad en mogelijk de stedelijke footprint verkleinen. Kenmerkend is dat het gebruik maakt van producten en diensten uit de stad en vervolgens producten en diensten terug levert aan de stad. Stadslandbouw kan lokale voedsel- en energieproductie in de stad koppelen aan maatschappelijke doelen, zoals ontspanning, zorg of educatiemogelijkheden. Er zijn diverse motieven voor stadslandbouw. De hightech stadslandbouwinitiatieven gaan uit van het duurzaam telen. Er is minder transport- en luchtvervuiling en weinig verbruik van energie, bestrijdingsmiddelen, medicijnen en water. De kleinere buurtinitiatieven beginnen met een buurtmoestuin, bijvoorbeeld omdat het een goede reden is om met vrienden en buren samen iets te kunnen ondernemen. Of omdat men aan kinderen wil kunnen laten zien waar het voedsel dat op ons bord ligt vandaan komt en hoe het groeit. Of omdat men controle over de productie van eigen voedsel wil houden(WUR6). Een mooi voorbeeld is de DakAkker in Rotterdam: de DakAkker is een dakboerderij van 1000m2 bovenop het Schieblock in Rotterdam. Er worden groenten, eetbare bloemen en fruit verbouwd en bijen gehouden. De DakAkker is de grootste openlucht dakboerderij in Nederland en een van de grootste in Europa. Op het dak van het dakpaviljoen is het Slimdak. Een testsite voor slimme wateropvang. Een onderdeel is ook Op het Dak, een restaurantconcept waar zoveel mogelijk gekookt wordt met de producten uit de stadse daktuin (dakakker.nl).

“Consumenten zijn zich steeds bewuster van waar hun voedsel vandaan komt en vinden het aansprekend om vanuit de korte keten te eten en dat voedsel hier niet ver vandaan komt. Ondernemers en vakmensen zullen dat goed moeten kunnen uitleggen. Dat vraagt om vakinhoudelijke kennis van studenten over bijvoorbeeld kringlopen, verwaarding, het voorkomen van verspilling en natuur. Het vraagt ook andere generieke vaardigheden, zoals het openstaan voor nieuwe soorten geluiden uit de maatschappij, creativiteit en ondernemerschap. Het vraagt ook normatieve vaardigheden en morele verantwoordelijkheid naar de volgende generatie. Bij elkaar noemen we dat ‘circular skills’”
– Laura Roebroeck, Platform Talent voor Technologie

GROEN IN DE STAD

Groen in de stad verbetert het milieu, zorgt voor een rijke biodiversiteit, vermindert luchtvervuiling, zorgt voor waterberging, dempt geluidshinder en verkoelt in warme periodes. Groen is essentieel voor een klimaatbestendige en duurzame omgeving. Daarnaast is er een aangetoond positief effect op de gezondheid en sociale verbindingen van mensen die in een groene omgeving wonen, werken en recreëren.

“De rol van groen in de stad is steeds belangrijker. We hebben zoveel meer groen in de stad nodig dan nu, nadat deze de afgelopen decennia enorm versteend is. Gemeentes erkennen dat al langzaamaan, maar er zijn ook steeds meer burgers die zich aansluiten bij bv Operatie Steenbreek en een geveltuin nemen. – Laura Roebroeck, Platform Talent voor Technologie

Groen in de stad vraagt andere competenties van studenten en meer specifiek van bijvoorbeeld een hovenier: “Er wordt veel gebouwd in de stad. Om dat leefbaar te houden moet er veel groen in de stad komen zoals hangende tuinen en geveltuinen. Dat is anders dan in het dorp gras onderhouden. Stedelijk groen wordt interessant. Dat vraagt van de hovenier kennis van omgevingsmanagement. Je moet met de omgeving en het verkeer rekening houden. Ook technisch; je kan niet zomaar een gat graven met alle leidingen en kabels tegenwoordig. In het onderwijs is daar nog weinig aandacht voor. Het is belangrijk om bedrijven daarbij te betrekken om de ontwikkelingen in het onderwijs te krijgen. Het uitvoeren van het onderwijs op locatie wordt daarnaast ook belangrijker.”
– Jeroen Zijlmans, VHG

BLOEM, GROEN EN STYLING

Door de aandacht voor het milieu, gezondheid en de bezorgheid over het milieu verandert de functie van een plant en hoe de mensen planten inzetten. Dat betekent dat ook dat de rol van een planten- en/of bloemenverkoper verandert. Aafje Nijman (Bureau Nijman + van Haaster) vertelt daarover: “Hoe een verkoper groen moet verkopen gaat veranderen. Plantenkennis is nog steeds belangrijk, maar anders dan voorheen. De verkoper moet bij de verkoop van planten en bloemen er andere informatie bij kunnen geven. Het is wel belangrijk dat een verkoper meer van planten weet dan de klant. Maar niet zozeer om hoe de plant verzorgt moet worden. Maar wel kennis over welke planten versterken elkaar, welke plant is goed in zuurstof geven. Waar kan de plant voor dienen? Moet de plant rust, ontspanning en/of creativiteit bevorderen voor de koper? Verkopers moeten de kennis hebben over luchtverontreiniging, welzijn, kleur/vormgeving en ruimte. Het kunnen adviseren en ontzorgen is belangrijk. Waar zou je het neer willen zetten? Is daar onvoldoende daglicht, oh is geen probleem daar hebben wij  een speciale lamp voor. Wees dienstbaar en denk in makkelijke oplossingen De nieuwe groen verkoper zou een soort groensarchitect moeten worden. Om te kunnen laten zien als (binnenhuis) groenarchitect wat de ideeën zijn is het van belang om visualisatie skills te ontwikkelen bij de student. Daarnaast is het van belang dat de verkooptechnieken hierop aan sluiten.”

“De wereld verandert, alles in aan het verschuiven en vraagt om een nieuwe kijk op het geheel. We zitten in een transitie, dat betekent dat waarden verschuiven en dat gebroken wordt met oude tradities. Groen staat meer in de belangstelling door de groeiende aandacht voor milieu, gezondheid en klimaatverandering. De rol van planten en bloemen wordt belangrijker. Groen dient niet langer alleen maar als decoratie, ook de functie van groen wordt belangrijk. Mensen gaan groen anders gebruiken, denk bijvoorbeeld aan planten als luchtzuiveraars.”
– Aafje Nijman – Bureau Nijman + van Haaster

DIERVERZORGING

De (mondiale) aandacht voor duurzaamheid heeft ook consequenties voor de kwaliteit van en de eisen aan beroepsbeoefenaars in de dierverzorging. Bij de huisvesting van dieren streeft men, in het kader van het vergroten van het dierenwelzijn, meer naar een natuurlijkere leefomgeving. De overheid stelt steeds meer eisen aan ondernemingen die werken met recreatiedieren. Tevens wordt er vanuit de maatschappij steeds meer toegezien op bedrijven die met dieren werken. Administratie/registratie is een belangrijk onderdeel geworden van de werkzaamheden. Bij kinderboerderijen wordt via landelijke actie aandacht gegeven aan en opgeroepen tot duurzaamheid die kan variëren van zonnepanelen, groene daken, telen van (eigen) diervoeding, afvalscheiding en gebruiken regenwater. Bij dierenspeciaalzaken wordt ingezet op alle aspecten (MVO) via branchevereniging Dibevo. Dierentuinen kennen een duurzaamheidscode (SBB1).

INHOUDSOPGAVE SECTORALE TRENDS GROEN