Door robotisering worden

processen complexer

4. Robotisering

Om te voldoen aan maatschappelijke wensen op het gebied van duurzaamheid, gezondheid en voedselzekerheid zijn innovaties nodig. Door technologische vooruitgang, zoals beeldherkenning en grijpertechnologie, zijn robots steeds beter in staat generieke en specifieke taken uit te voeren. In de voedingsindustrie zijn diverse voorbeelden van robotisering van snijrobots, karkasopeners tot inpakrobots.

 ROBOTICA IN OPKOMST IN DE VOEDINGSINDUSTRIE

Innovaties in robotica, data technologie en verwerkingstechnieken zorgen voor nieuwe toepassingsmogelijkheden in de voedingsproductie. Bij zowel de primaire productie als de verwerking van voeding komt steeds meer technologie kijken. Verbetering van de houdbaarheid en voedselveiligheid draait om technologie. En grotere inzet van machines zorgt voor betaalbaarheid en constante kwaliteit.

“Ik denk dat computers zo slim worden dat de informatie rechtstreeks bij de operator terecht komt. Dat heeft dan directe impact op hoe de fabriek wordt gestuurd. Al die data helpt om de processen te optimaliseren. Dat is wenselijk want de marges zijn klein. Bedrijven die het goed doen gaan dit proces grotendeels bij de operators neerleggen, die kunnen met de impact van data analyse echt het verschil maken.”
– Arry Verhage, SOL

De toepassing van nanotechnologie, 3D printen en celtechnologie bevindt zich nog in een vroeg stadium. Voordat deze breder toegepast gaan worden, moeten barrières op het vlak van regelgeving, consumentenacceptatie en/of de toepasbaarheid op industriële schaal worden geslecht (ING Economisch Bureau2).

Robots worden voor verschillende doeleinden ingezet. Generieke robots worden ingezet voor zware standaardwerkzaamheden zoals het sorteren van dozen of het opslaan van pallets. Gespecialiseerde robots worden ingezet voor het uitvoeren van complexere en meer specifieke taken.

De inzet van robots maakt het productieproces constanter (hoger productievolume, verbetering voedselveiligheid) en minder arbeidsintensief (lagere personeelskosten). Door technologische vooruitgang, zoals beeldherkenning en grijpertechnologie, zijn hordes geslecht waardoor robots steeds beter in staat zijn om:

  1. tere en telkens wisselende producten te hanteren,
  2. aan strikte voedselveiligheidseisen te voldoen,
  3. in een uitdagende werkomgeving (hitte, vocht, kou) te functioneren.

Voorbeelden van robots in de voedingsindustrie zijn:

  • robots in de fabriek die producten snijden, verplaatsen, verpakken en palletiseren,
  • een karkasopener in de vleesindustrie,
  • sla- en paprika-ontkerners in de groenteverwerking,
  • inpakrobots voor koekjes en zoetwaren.

Door robots in te zetten in deze onderdelen van het proces wordt er data vergaard over niet alleen het proces, maar ook van de producten. Met die data kan de ondernemer zijn proces efficiënter inrichten. Ook kan de data de traceerbaarheid van de producten verhogen. Robotisering kan ook bijdragen aan het terugdringen van voedselverspilling in de keten. Robots kunnen immers accurater en consistenter hun werkzaamheden uitvoeren. Zo is de slaontkerner van FTNON in staat om de slakroppen te ontkernen met minder dan vier procent verspilling. Robotisering kan ook een bijdrage leveren aan het verbeteren van de werkomstandigheden. In de voedingsmiddelenindustrie wordt er veel gewerkt in gekoelde omgevingen. 

Door robots in te zetten kan voorkomen worden dat mensen in deze koude omstandigheden hoeven te werken. Wel is het zo dat automatisering of robotisering van processen vraagt om andere vaardigheden van de medewerkers. De productiemedewerkers maken plaats voor operators die de machines monitoren (ABNAMRO6).

Een belangrijke drijfveer voor de toenemende inzet van robots is de combinatie van stijgende arbeidskosten en personeelskrapte. Met robotisering vergroten bedrijven hun efficiency en verkleinen ze hun afhankelijkheid van de factor arbeid. Daarnaast zijn eisen op het vlak van voedselveiligheid steeds strenger en kan minder menselijke inmenging in het productieproces het risico op besmetting verlagen (ING Economisch Bureau2).

De robotdichtheid is voor de voedingsmiddelenindustrie relatief laag met 117 robots per 10,000 werknemers. In de transportmiddelenindustrie is de robotdichtheid bijna vier keer zo hoog. Niet alleen in de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie ligt de robotdichtheid lager. Ook in andere Europese landen is dit het geval. De lage robotdichtheid heeft te maken met het gebrek van flexibiliteit bij robots, waardoor ze minder geschikt waren voor de voedingsmiddelenindustrie (ABNAMRO6). Een sterke geautomatiseerde of robotiseerde voedingsindustrie kan ook risico vormen voor het innovatieve vermogen. Renee Boerefijn legt daarover uit: “Het is maar de vraag of gerobotiseerde en geautomatiseerde processen een goede ontwikkeling is. Als je alles heb geautomatiseerd dan is het weinig flexibel op het moment dat je wil innoveren of veranderen, zoals het geval is met de clean label veranderingen. Dat is een bestaansrisico voor de hele industrie, met name voor de lokale industrie. Het ecosysteem moet flexibel kunnen blijven.” Daarnaast heeft de sector te maken met strenge voedselveiligheidsregelgeving, zoals de eisen op het gebied van hygiëne die aan de robots gesteld worden. Maar uit cijfers van het CBS blijkt ook dat het aantal product- en procesinnovaties bij de voedingsmiddelenindustrie lager ligt dan het gemiddelde. Dit hangt samen met de lage marges in de sector (ABNAMRO6).

Hans Huibers (Frontier, NMK Esbaco) vertelt wat de reden is van de lage marges in de voedingsindustrie en wat de keuze vanuit NMK Esbaco is geweest om te kunnen groeien: “NMK Esbaco is ooit begonnen als leverancier aan de voedingsindustrie, daarna volgde retail. Zoals veel andere familiebedrijven waren we erg afhankelijk; de afnemers bepalen de prijs. Dat geldt voor de boer ook, Friesland Campina is voor hen de regisseur van de voedingsketen. Unilever koopt de vegetarische slager en zijn dan trendzetter. Nestlé koopt Garden Gourmet om zich te richten op vleesvervangers. Dat is de wereld waar de voedselketen zich in bevindt. Zoveel en zo goedkoop mogelijk produceren of je wordt overgenomen door een groot bedrijf, dat wil dit bedrijf niet. Onze ambitie is het nastreven van partnerships door middel van co- creatie. Dus niet meer u vraagt wij leveren, maar we gaan samen nadenken over wat we gaan ontwikkelen. Bijkomend voordeel is dat we daardoor minder afhankelijk zijn en toch ook blijven leveren aan retail en industrie. Het streven naar co-creatie vraagt wel permanente topsport en betekent veel nadruk op research en development. Het betekent ook een nadruk op het volgen van ontwikkelingen in kleuren, vormen en wat er gebeurt in de modewereld, het bijhouden van vlogs en blogs. Het hele bedrijf is veranderd. Alles wat nieuw is proberen wij te combineren met voedingsinnovaties en ingrediënten. Wij proberen alles te ontdekken. Bijvoorbeeld hoe je uien kunt gebruiken om appels te vervangen. We hebben een uniek salesteam van mensen die snappen hoe je de klant moet verleiden, met welke verhaal en beleving je de klant kunt raken.”

Hans de Mooij, SVO vakopleiding food

In de productie-industrie, slachterijen en vleesverwerkers zijn veel werkzaamheden vervangen door robotisering, dat was voorheen veelal ongeschoolde arbeid. Dat is allemaal High Tech business geworden, waarbij nieuwe werkzaamheden zijn ontstaat waar mensen voor nodig zijn met een beroepsopleiding.

BEHOEFTE AAN TECHNISCH/TECHNOLOGISCH EN HOGER GESCHOOLD PERSONEEL NEEMT TOE

Door robotisering worden processen in de voedingsproductie complexer. Taken van werknemers veranderen en het vereiste opleidingsniveau stijgt. De behoefte aan technisch/technologisch geschoold personeel op mbo- en hbo-niveau stellen andere, sectorspecifieke kwaliteitseisen aan nieuwe werknemers. Daarnaast zijn bestaande opleidingen inhoudelijk onvoldoende afgestemd op wat de levensmiddelenindustrie vraagt. In veel regio’s ontbreekt een goede aansluiting tussen mbo- en hbo-opleidingen in de vorm van doorlopende leerlijnen. De levensmiddelenindustrie wil zijn innovatiekracht behouden en streeft daarom naar een betere aansluiting tussen  en de behoefte van het bedrijfsleven. De sector wil het onderwijs ondersteunen bij het opleiden van toekomstig personeel, door mede invulling te geven aan de inhoud van het onderwijs en door de doorlopende leerlijnen mede te ontwikkelen (FNLI1).

“De trend is dat machines belangrijker worden. Operators moeten technischer worden, voeding kennis wordt minder belangrijk. Maar operators moeten wel inzicht hebben in hoe levensmiddelentechnologie werkt. Ze moeten weten hoe belangrijk temperatuurverschillen zijn voor zuivel. Door de robotisering zijn de werkzaamheden die overblijven meer werkzaamheden waar een kleine instructie voldoende voor is en geen complete opleiding meer nodig is.”
– Hans de Mooij, SVO
vakopleiding food

Er is minder werk op MBO niveau 2 en meer op MBO niveau 3 en 4. De levensmiddelenindustrie heeft meer technisch- en technologisch geschoold personeel nodig met een mbo- of hbo-diploma. Tot 2022 gaat het om 1600 medewerkers per jaar. Nu beschikken te weinig afgestudeerden over de juiste papieren. 90 procent van alle mbo-functies wordt nog ingevuld door zij-instroom via de daarbij noodzakelijke bijscholing (FNLI1). Arry Verhage (SOL) vertelt daarover:
“MBO niveau 2 is steeds minder nodig, omdat het proces van grondstof tot eindproduct steeds meer 1 proceslijn wordt. Niveau 3 of 4 monitort het toezicht via een scherm. Het verschilt per bedrijf en sector hoever ze hierin zijn.”

 DE TECHNOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN VRAGEN EEN ANDERE MANIER VAN OPLEIDEN

Het is belangrijk dat studenten gemakkelijker om kunnen gaan met veranderingen. Een brede basisopleiding en het ontwikkelen van de vaardigheid van zelflerend vermogen helpen daarbij. Hans de Mooij (SVO vakopleiding food) vertelt erover:

  • Breed opgeleid lijkt mij beter omdat iemand flexibeler kan zijn in latere momenten in zijn leven. Om kunnen gaan met de veranderingen die eraan zitten te komen, ik kan niet precies aangeven wat die veranderingen zijn. Maar die worden zeker verwacht door de bedrijven.“
  • “De traditionele manier om operators op te leiden is:
    1.er komt een nieuwe lijn
    2.iemand gaat naar een cursus
    3. hij weet hoe het werkt en leert zijn collega’s hetzelfde trucje. Je wil dat medewerkers zichzelf continu ontwikkelen en wendbaar zijn, zodat ze zelf bijdragen aan de innovatiekracht in de voedingssector. Hoe stimuleren we dat operators nieuwgierig zijn en willen leren in de nieuwe technologie? Een medewerker moet vitaal, vaardig en wendbaar zijn.”

Jules Sanders (LTO) vindt het belangrijk dat scholen zich in de toekomst niet alleen richten op de student van nu, maar in feite een soort leven lang ontwikkeling traject mogelijk maken. “Bijvoorbeeld als tijdens de opleiding geen aandacht is geschonken aan drone technologie en big data, maar een ondernemer heeft het voor zijn bedrijf wel nodig, dat dat mogelijk is om te leren. Het gaat erom dat het onderwijs in de toekomst in staat is om wendbare leerlingen op te leveren. De kennis is snel verouderd. Maar een werknemer moet het idee hebben dat hij bepaalde dingen heeft geleerd en dat het mogelijk is om bij te leren, wanneer dat voor zijn bedrijf nodig is. Dat zou een beetje de cultuur moeten worden.”

INHOUDSOPGAVE SECTORALE TRENDS VOEDING