Duurzaamheid en automatisering in de landbouw leiden tot branche transitie

2. Groen

Demografische ontwikkelingen

AFNAME VMBO EN MBO

Het mbo is een belangrijke opleidingsrichting. Ongeveer de helft van de werkenden in de agrarische beroepen heeft een mbo-opleidingsachtergrond (ROA1). In 2025 zal het totaal aantal vmbo-leerlingen echter dertien procent kleiner zijn dan in 2018 (DUO1). Vanwege het kleinere aantal vmbo-leerlingen krimpt ook de doorstroom vanuit het vmbo naar het mbo. Deze ontwikkeling zal vooral in hoogconjunctuur leiden tot een groeiend tekort aan mbo-gediplomeerd personeel. Vooral de bol opleidingen zullen dat merken bij ongewijzigd (onderwijs)beleid. Voor de bol opleidingen geldt namelijk dat de instroom hoofdzakelijk bestaat uit leerlingen, die direct vanaf het vmbo komen. Bbl-studenten daarentegen stromen minder vaak direct door vanuit het vmbo. Ze zijn over het algemeen ouder dan de bol-studenten.

DOOR VERGRIJZING MEER BEHOEFTE AAN JONGE INSTROOM

De Nederlandse akkerbouw vergrijst. Een kwart van alle bedrijfshoofden in de Nederlandse landbouw is ouder dan 65 jaar. Op de meeste boerderijen staat geen bedrijfsopvolger klaar. Van de 25 duizend landbouwbedrijven met een bedrijfshoofd van 55 jaar of ouder, hebben ruim 15 duizend bedrijven geen bedrijfsopvolger (CBS5). Hierdoor stroomt kennis en kunde uit de sector. Daarnaast is met de huidige grondprijzen een bedrijfsoverdracht lastiger te financieren (Rabobank1).

Niet alleen onder bedrijfseigenaren is sprake van vergrijzing. Van alle werkenden in de agrarische beroepen is het aandeel 55-plussers groot. Dat geldt vooral voor de veehouderij en de land- en bosbouw.

Ruim een derde van de werkenden is 55 jaar of ouder. Hierdoor neemt de behoefte aan jonge, mbo-groen gediplomeerden toe. Het aantal gediplomeerden in gerelateerde opleidingsrichtingen is klein in verhouding tot de behoefte. Naar verwachting zal daar de komende jaren meer sprake van zijn vanwege de vergrijzing (ROA1).

VERGRIJZING BIEDT OOK KANSEN

Als gevolg van de vergrijzing zullen bedrijfsstructuren in de landbouw veranderen. In toenemende mate zal het beheer en het eigendom van grond gescheiden zijn. Dat biedt voor loonwerkers kansen om meer beheer van landbouwgrond op zich te nemen (Rabobank1).

De wereldbevolking groeit en het welvaartsniveau stijgt. Dat biedt volop kansen voor uitbreiding van verdienmodellen, die op duurzame bulkproductie gericht zijn. Maar er zijn ook mogelijkheden voor concepten gericht op specifieke groepen consumenten. De succesvolle uitvoer van babymelkpoeder naar China is daar het beste bewijs van (ING economisch bureau1).

IMMIGRATIE

In de landbouwsector zijn de afgelopen (tientallen) jaren meer immigranten aan de slag gegaan. Met de huidige en toekomstige immigratie zal deze groep werknemers de komende jaren naar verwachting groeien.

Economische ontwikkelingen

OMZET EN PRODUCTIE

Agrarische sector
De productie van de agrarische sector neemt in 2019 naar verwachting toe met 0,3 procent en in 2020 met 1 procent. De productie blijft nog wel achter op het niveau van 2017. In 2018 was namelijk sprake van een daling, mede door de droogte en de warmte. Ook het fosfaatplafond voor de melkveehouderij, de fipronil-affaire in de legpluimveehouderij en de beperkende regelgeving in de varkenssector droegen bij aan productievermindering (UWV2).

Groententeelt, sierteelt en bloemisten
De opbrengsten van de groententeelt in de kas zijn flink gestegen. In 1950 leverde bijvoorbeeld de komkommerteelt ongeveer 10 kg per vierkante meter op. In 2016 was dit bijna 7 keer zoveel (CBS5).

De groei van de wereldeconomie heeft een gunstig effect op de Nederlandse bloemensector. Consumenten geven steeds meer uit aan bloemen en planten. In 2017 bedroeg de toename acht procent en in 2018 was dat twee procent ( retailinsiders1). De uitgaven voor bloemen en planten zullen de komende tien jaar met 50 procent groeien. Voor bloemenwebshops is naar verwachting sprake van een vervijfvoudiging van de omzet (van zo’n 2 miljard dollar tot ruim 11 miljard). Die groei gaat ten koste van met name de verkoop via de supermarkten. De omzet van bloemisten en speciaalzaken in Nederland is 2 miljard dollar per jaar. Vooral vanuit Azië zal de vraag naar bloemen enorm toenemen vanwege de koopkrachtstijging. De Nederlandse sierteeltsector zal de blik gericht moeten houden op Azië. China zal in eerste instantie vooral bloemen uit Europa en Afrika kopen, maar geleidelijk ook zelf tot productie overgaan (Rabobank2).

Hoveniers
Sinds 2014 neemt de omzet van hoveniersbedrijven toe. Jaarlijks is de toename van de hoveniersbranche vijf tot tien procent (CBS6). Leden van de Vereniging van Hoveniers en Groenvoorzieners (VHG) boekten 8,3 procent meer omzet in het tweede kwartaal van 2019 dan in dezelfde periode een jaar eerder. De omzet van VHG-leden stijgt daarmee bijna vier jaar op rij. Bij drie van de vier vakgroepen nam de omzet toe in het tweede kwartaal van 2019. Interieurbeplanters boekten 10 procent meer omzet, gevolgd door hoveniers met 9,6 procent en groenvoorzieners, inclusief daken gevelbegroeners, met 7,8 procent. Bij deze drie vakgroepen stijgt de omzet al minimaal 3 jaar op rij. Boomspecialisten zetten 5,7 procent minder om dan een jaar eerder (CBS7).

“Jongere mensen tussen de 20 en 40 jaar kopen steeds meer planten (en bloemen). Voorheen was het met name de oudere generatie die veel tijd stak in het gezellig maken van het huis. Kennelijk heeft dat ook steeds meer de belangstelling bij jongere mensen. Planten zijn hip als het gaat om het interieur. Het is mooi om in je huis te hebben en er is wetenschappelijke onderbouwing dat planten bijdragen aan een positief welbevinden. Uit steeds meer onderzoeken blijkt dat groen een functie heeft op het gebied van gezondheid en welbevinden.”
– Marco Maasse VBW

Dierenspeciaalzaken
De omzet van de dierenspeciaalzaken is redelijk stabiel. In 2017 nam de omzet toe met één procent ten opzichte van 2016. Hierbij gaat het om de omzet van dierenspeciaalzaken met een fysieke winkel en eventueel een website voor online verkoop. Pure webshops zijn hierin niet meegenomen. Consumenten besteden steeds meer aan huisdieren en producten en/of dienstverlening voor huisdieren (inclusief diervoeding). In 2018 gaven ze vijf procent meer uit aan dierproducten dan in 2017. De dierenspeciaalzaken hebben in de bestedingen een marktaandeel van ongeveer 34 procent (retailinsiders2).

Binnen de branche van dierverzorging is daarnaast schaalvergroting zichtbaar en verbreding van het assortiment. Er is sprake van integratie van allerlei diensten gerelateerd aan gezelschapsdieren, zoals een trimsalon, dierenartspraktijk en trainingsruimte. Volgens brancheorganisatie Dibevo zijn er steeds meer (zelfstandig werkende) adviseurs actief op het gebied van diervoeding, diergedrag en fysiotherapie voor dieren.

Het aantal dieren dat in Nederland gehouden wordt, stijgt, zo blijkt uit jaarlijks onderzoek van brancheorganisatie Dibevo en de Federatie Nederlandse Diervoederketen. Het aantal honden is stabiel, het aantal katten loopt iets terug, maar vogels en vissen laten een sterke toename zien. Ook is er een stijging van de meer exotische dieren (Aeres).

WERKGELEGENHEID

In 2019 is het aantal banen van werknemers in de sector Landbouw, bosbouw en visserij naar verwachting 105.000. Dat aantal is exclusief uitzendkrachten. Ten opzichte van 2018 is het aantal werknemers en zelfstandigen iets afgenomen. Ongeveer de helft van de werkenden in agrarische beroepen is zelfstandige (UWV3). Mede vanwege de hoge mate van seizoensarbeid zijn er veel flexibele arbeidsrelaties (circa een derde van de werkenden). Denk hierbij aan uitzendkrachten, oproepkrachten, invalskrachten en contracten zonder een vast aantal arbeidsuren. Ongeveer de helft van de werkenden in de agrarische beroepen heeft een mbo-opleidingsachtergrond (ROA1).

VACATURES EN PERSONEELSTEKORTEN

Voor de komende jaren verwacht het ROA dat het aantal baanopeningen in de agrarische beroepen groot is. Dat geldt met name voor de beroepsgroepen hoveniers, tuinders, kwekers en in de landbouw. Dit gaat om de totale vraag naar nieuwkomers op de arbeidsmarkt, zoals bepaald door de uitbreidingsvraag (werkgelegenheidsgroei) en de vervangingsvraag. Het ROA typeert de ontwikkeling van het aantal baanopeningen in agrarische beroepen als ‘hoog’ tot ‘erg hoog’ (ROA1).

 

Veehouderij
Ten opzichte van eerdere jaren schakelen varkenshouders vaker externe krachten in. Het blijkt lastig om gekwalificeerd personeel te vinden. Werken in hypermoderne varkensstallen vraagt om steeds meer specifieke kennis. Zowel aan medewerkers als aan bedrijfsleiders en teamleiders is behoefte. Relatief weinig jongeren kiezen echter voor een opleiding in deze richting. Het aantal afgestudeerden is bij lange na niet voldoende om aan de huidige vraag te voldoen. Overigens is een deel van de vacatures ook geschikt voor mensen zonder diploma, die dan de kans krijgen het vak te leren. In de melkveehouderij is behoefte aan melkers (UWV4).

Teelt
Boomkwekerijen komen moeilijk aan vakbekwaam personeel. Ondernemers geven aan dat het tekort aan personeel de ontwikkeling van hun bedrijf belemmert. Ook vanuit andere teeltsectoren komen signalen van wervingsproblemen, bijvoorbeeld in de glastuinbouw, bloembollen- en groenteteelt en de akkerbouw. Het gaat daarbij om zowel vaktechnisch personeel (onder andere teeltspecialist, meewerkend voorman, bedrijfsleider) als seizoenskrachten. De agrarische sector wordt gekenmerkt door seizoensarbeid. Tijdens piekperiodes zijn er bijna twee keer zoveel werknemers in de sector actief. In de glastuinbouw gaat het daarnaast ook om logistiek en technisch personeel (UWV4).

Loonwerk
Loonbedrijven kunnen bij specialistische werkzaamheden of in drukke periodes worden ingehuurd zodat de boer zelf geen zaai-, oogst- of bemestingsmachines hoeft aan te schaffen (UWV4). Daarnaast haalt het agrarisch loonbedrijf omzet uit werkzaamheden voor infrastructurele projecten. In de periode 2018-2021 nemen de budgetten voor verkeers- en waterinfrastructuur toe. Dit leidt tot een hogere vraag naar loonwerk in de grond-, weg- en waterbouwsector (Rabobank3).

Modern loonwerk vraagt om technisch opgeleid personeel dat gecertificeerd is om met uiteenlopende machines te werken. Doordat er tekorten zijn aan technische vakmensen op mbo-niveau, neemt de concurrentie om technisch personeel toe. Dat geldt ook voor bouwbedrijven in het grondverzet. Het gevolg is dat het voor loonbedrijven lastiger is om aan tractorchauffeurs en landbouwmachinisten te komen. Daarnaast is er in de groen- en cultuurtechniek grote behoefte aan medewerkers die mobiele machines kunnen bedienen. Naast een inhaalslag in infrastructurele projecten gaat het hier bijvoorbeeld ook om maatregelen om groen in te zetten tegen effecten van klimaatverandering. Dat leidt tot extra werk op het gebied van grondverzet, bodembewerking, aanleg en onderhoud van sloten, oevers, waterpartijen of sportterreinen (UWV4).

Naast uitvoerende technische vakmensen is er in het loonwerk behoefte aan planners, calculators en werkvoorbereiders. Dat geldt eveneens voor ervaren uitvoerders en projectleiders natuurbeheer/cultuurtechniek. Ook voor deze functies geldt dat er moet worden geconcurreerd met bouwbedrijven in het grondverzet. Daar zijn eveneens tekorten aan dit soort beroepsbeoefenaren (UWV4).

Hoveniers
46 procent van de hoveniers- en groenvoorzieningsbedrijven kampte in het tweede kwartaal van 2019 met een personeelstekort. De vraag stijgt door de verhuisbewegingen en toenemende interesse voor groen als oplossing voor problemen als hittestress, verlies aan biodiversiteit en opvang van piekbelasting bij extreme buien. Er is met name behoefte aan vakbekwame hoveniers, groenvoorzieners en boomverzorgers op mbo-niveau 3 en 4. Specifiek voor boomverzorgers geldt dat er een geringe instroom is. Ook greenkeepers (onderhouders van golfbanen) zijn schaars (UWV4).

BEDRIJFSOVERNAME

Het starten of overnemen van een boerenbedrijf wordt aantrekkelijk maar lukt minder makkelijk. Ten eerste zijn grondprijzen en de benodigde investeringen knelpunten in bedrijfsovername. De grondprijzen staan niet in verhouding tot de opbrengsten van het bedrijf. Voor melkveehouders speelt hierbij ook het fosfaatrecht, waardoor het ingewikkelder en duurder is geworden om het bedrijf over te nemen. Een potentiële opvolger moet zich eerst voor miljoenen in de schulden steken om de grond, de gebouwen en de machines over te kunnen nemen. Ten tweede is er sprake van vergrijzing onder eigenaren en een tekort aan jonge instroom (UWV2).

SCHAALVERGROTING EN VERBREDING VAN ACTIVITEITEN

Het aantal bedrijven in de agrarisch-groene sector neemt al jaren sterker af dan het aantal hectare cultuurgrond (grond dat gebruikt wordt voor agrarische activiteiten). Hiermee is de omvang van de bedrijven die overblijven toegenomen, oftewel schaalvergroting. Ook het aantal dieren per bedrijf is toegenomen. Desondanks is volgens de gegevens van Agrimatie het merendeel van de huidige bedrijven in de land- en tuinbouw te klein om uit het bedrijf een marktconforme beloning van arbeid en kapitaal te halen. In sommige gevallen zijn er aanvullende inkomsten nodig uit andere activiteiten. Dit kan een camping of bed and breakfast zijn, of een winkel aan huis (UWV2). Lees hier verder over multifunctionele bedrijven.

Ook in de branche van dierenspeciaalzaken is sprake van schaalvergroting. De laatste jaren is het aantal fysieke verkooppunten afgenomen, terwijl de totale winkelvloeroppervlakte groeide (retailinsiders2). Daarnaast is er een verbreding van het assortiment en zelfs integratie met dierenartspraktijken. Samenwerkingsverbanden met dierverzorgingsdiensten bieden kansen om bezoekers te trekken. Dit betekent een combinatie van verschillende diensten onder één dak. Een andere trend is specialisatie naar deelsegmenten of diersoort. Dat vraagt om meer kennis van personeel (SBB1).

 

Sociaal-culturele ontwikkelingen

BELEVING EN DE VERANDERENDE CONSUMENT

Consumenten hebben steeds meer belangstelling voor de herkomst van voedsel, biologisch eten en het ‘groen’ in het algemeen. Hierdoor komt de boer vaker in direct contact met de consument. Er is een toename van initiatieven die zorgen dat er afname direct van de boer plaatsvindt. Zo zijn er agrariërs die zelfoogst-tuinen hebben, oogstaandelen of groente- en fruitpakketten verkopen of een winkel aan huis hebben. Dit vraagt naast ondernemingsvaardigheden ook goede communicatieve en sociale vaardigheden van de ondernemer, die in deze gevallen ook vaker voorlichting over de teeltwijzen geeft (UWV2). Veel biologische bedrijven zijn multifunctioneel actief in agrarisch natuurbeheer, agrotoerisme en streekproducten. De openstelling en openheid van de bedrijfsvoering versterkt de belevingswaarde van biologisch voor de maatschappij (Rabobank3).

Consumenten zijn, mede vanwege de gunstige conjunctuur, vaker bereid meer te besteden aan (luxe) boeketten, bloemen en planten. De vakbloemisten zijn de brand stores van bloemistenbranche. Zij bieden een etalage functie richting de consument. Met bijzondere variëteiten en seizoenproducten van hoge kwaliteit kan een bloemist zich onderscheiden van andere verkoopkanalen zoals tankstations. De bloemist en de supermarkt kunnen goed naast elkaar bestaan en elkaar zelfs versterken. De verschillende consumentendoelgroepen kopen op een eigen manier bloemen en planten. Door als verkoopkanaal specifiek voor een doelgroep te kiezen, is het mogelijk marktpositie en groei te realiseren (Royalfloraholland.nl). Daarnaast biedt de bloemist extra service en assortiment voor bloemwerk bij bijzondere momenten en omstandigheden.

In de branche van gezelschapsdieren ontstaat een groter onderscheid tussen gespecialiseerde, zelfstandige dierenspeciaalzaken en discountformules. Dat komt door de verschillende behoeften van de consument. Bij zelfstandige dierenspeciaalzaken staan deskundigheid, vakkennis, service en kwaliteit centraal. Discountformules hanteren de prijs als belangrijkste wapen (HAS Hogeschool en Universiteit Utrecht).

MAATSCHAPPELIJK VERANTWOORD ONDERNEMEN

Naar verwachting woont in 2050 twee derde van de wereldbevolking in steden. Steeds meer stedelingen houden zich bewust bezig met de herkomst van eten en de impact van het voedselsysteem op de wereld om hen heen. 

Er wordt veel energie gestoken in voedselinitiatieven: van voedselproductie in de stad (stadslandbouw) tot coöperatieve markten en lokaal voedsel in zorginstellingen. Ook bruist het van de innovaties en veranderingsgezinde ondernemers, die oplossingen zoeken voor het voeden van de stad (volkskrant.nl).

De (mondiale) aandacht voor duurzaamheid heeft consequenties voor de kwaliteit van en de eisen aan beroepsbeoefenaars in de branche van gezelschapsdieren. Bij de huisvesting van dieren streeft men meer naar een natuurlijkere leefomgeving. De overheid stelt meer eisen aan ondernemingen die werken met recreatiedieren. Tevens wordt er vanuit de maatschappij steeds meer gelet op bedrijven die met dieren werken. Administratie/registratie is een belangrijk onderdeel geworden van de werkzaamheden. Bij kinderboerderijen wordt via landelijke actie aandacht gegeven aan en opgeroepen tot duurzaamheid die kan variëren van zonnepanelen, groene daken, telen van (eigen) diervoeding, afvalscheiding en gebruiken regenwater. Bij dierenspeciaalzaken wordt ingezet op alle aspecten (MVO) via de branchevereniging. Dierentuinen kennen een duurzaamheidscode (SBB1).

ONLINE AANKOPEN

Consumenten kopen steeds meer online. De dierenspeciaalzaak kan niet meer om internet en cross channel verkoop heen (HAS Hogeschool en Universiteit Utrecht). Naar verwachting neemt internet als verkoopkanaal sterk toe. Voor ongeveer een zesde van alle honden- en kattenvoer is de webwinkel het primaire aankoopkanaal. Elk jaar stijgt de online verkoop van honden- en kattenvoer met drie procent. Dat gaat grotendeels ten koste van de verkoop in de supermarkt (Dibevo1).

Ook het aantal dieren dat via internet wordt verkocht, neemt toe. De ervaring leert dat zodra de verkoop via zichtbare kanalen (winkels) vermindert, de verkoop via niet-zichtbare of niet-gereguleerde kanalen groeit (grootschalige, hobbymatige verkoop via bijvoorbeeld marktplaats). De markt wordt steeds diffuser, waarbij het traditionele verkoopkanaal minder zichtbaar wordt. Dat blijkt ook uit de opkomende trend van online platforms zoals Pawshake.nl waar klanten en dieren samengebracht worden en waar dieren doorgaans in huiselijke kring worden opgevangen en niet bedrijfsmatig. Voor de fysieke dierenwinkels is er een afbreukrisico dat als er iets niet goed gaat met de dierenverkoop, dit op internet verschijnt.

Technologische ontwikkelingen

Innovaties en de inzet van geavanceerde machines in de akkerbouw, tuinbouw en veeteelt blijven plaatsvinden om efficiënter te kunnen produceren. Van melkrobots tot precisielandbouw, zoals de ontwikkeling van landbouwdrones voor het bemesten en besproeien van akkers vanuit de lucht. Automatisering is vooral te zien in productieprocessen in de teelt en veehouderij.

PRECISIELANDBOUW

Bij precisielandbouw wordt met behulp van technologieën zoals GPS, sensoren, ICT en robotisering bepaald welke behandeling planten nodig hebben. Het verschil met reguliere landbouw, waarbij een heel veld dezelfde behandeling krijgt, is dat met precisielandbouw de behandeling per vierkante meter kan verschillen. Deze systematiek, ook wel smart farming genoemd, is eveneens in de veehouderij in ontwikkeling. Daar zijn bijvoorbeeld sensoren in gebruik om gedrag en gezondheid van koeien te monitoren of automatische vogelmijttellers in de pluimveehouderij (UWV2).

NIEUWE TEELTECHNIEKEN

In de tuinbouw werken telers, brancheorganisaties en onderzoeksinstituten samen om rendabele teeltsystemen te ontwikkelen voor de vollegrondstuinbouw. Hierbij gaat het om groenten, bloembollen, boomteelt, fruit, zomerbloemen en vaste planten. Het uitgangspunt is dat de systemen een sterke emissiebeperking opleveren en andere voordelen voor ondernemers. Te denken valt aan een grotere arbeidsefficiëntie, een betere kwaliteit van producten, nieuwe marktkansen en gewaardeerd worden door de maatschappij. Deze vernieuwende teeltsystemen voldoen aan de Europese regelgeving voor de waterkwaliteit (WUR1).

 ‘Het nieuwe telen’ gaat over de toepassing van nieuwe technieken die bijdragen aan energiebesparing en een duurzame en meer efficiënte teelt. Een van de innovaties die telers zelf geïnitieerd hebben, is ‘Teelt de grond uit’. Los van de grond kunnen gewassen op verschillende manieren geteeld worden: in bakken, potten, containers, lange goten of in drijvende bakken op water. Diverse telers pionieren met deze vormen van teelt en technieken. Ze doen dat om de emissie van voedingsstoffen te beperken, om problemen met bodemziekten te omzeilen en een kwalitatief beter product te verkrijgen (groenkennisnet.nl).

SLIMME SENSOREN EN MACHINES

Het akkerbouwcomplex ontwikkelt zich naar een meer data-intensieve keten. Sensoren op het akkerbouwbedrijf verzamelen steeds meer gegevens. Hoewel datagebruik en –uitwisseling nog in de kinderschoenen staan, is er mogelijk een optimaliseringsslag met behulp van deze technologie te maken (Rabobank1). Het Internet of Things ontwikkelt zich vooral op het gebied van sensoren in een hoog tempo. Deze zijn al goedkoop en gemakkelijk op machines te installeren.

Ecologische ontwikkelingen

 VERMINDERING ENERGIEGEBRUIK EN CO2 UITSTOOT

Op 14 maart 2019 ondertekende minister Schouten van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit samen met partijen uit de tuinbouwsector, het Tuinbouwakkoord. De focus van het akkoord ligt op zorgvuldig gebruik van grondstoffen, vermindering van schadelijke uitstoot en energiezuinige teelt.

De CO2 uitstoot in de land- en tuinbouw heeft verschillende oorzaken. Zo is er sprake van uitstoot door het energiegebruik in kassen, de uitstoot van broeikasgassen door koeien en de omzetting van mest naar nieuwe vormen van energie. Over de CO2-uitstoot zijn afspraken gemaakt in het klimaatakkoord. Met de glastuinbouw is afgesproken dat zij in 2040 klimaatneutraal opereren (UWV2).

Rondom de dierhouderij zijn ook afspraken gemaakt, zoals emissiearme stallen, het opslaan en verwerken van mest en diervoeder. In het akkoord staan maatregelen die bodemdaling in veenweidegebieden moeten tegengaan en ook natuur- en bosbeheer moet klimaatvriendelijker worden (UWV2).

KRINGLOOPLANDBOUW

Daarnaast wordt ingezet op kringlooplandbouw. In kringlooplandbouw worden naast het hoofdgewas ook andere activiteiten verder ontwikkeld. Denk bijvoorbeeld aan natuurbeheer, duurzame energie en waterbuffering. Kringlooplandbouw draait om het optimaliseren van het bedrijfsrendement (economisch en sociaal-maatschappelijk) door zoveel mogelijk gebruik te maken van eigen resources in evenwicht en met respect voor de natuurlijke omgeving (WUR4). 

Daarom zijn de uitgangspunten voor een geslaagde kringlooplandbouw: het verhogen van de kwaliteit van de bodem, het beperken van het gebruik van eindige grondstoffen, het minimaliseren van schadelijke stoffen en het verhogen van de biodiversiteit. Om kringlooplandbouw op het akkerbouwbedrijf toe te passen is het belangrijk dat akkerbouwers investeren in kennis over andere verdienmodellen voor hun bedrijf. Denk aan precisielandbouw, bodemleven en gewasbescherming (beheersen van plagen in plaats van elimineren). Ook is samenwerking essentieel in het slagen daarvan. Ketenpartijen ondersteunen akkerbouwers om kringlooplandbouw van de grond te krijgen. Bijvoorbeeld door ruimte voor innovatie te bieden, door kosten en baten inzichtelijk te maken en door langdurige samenwerking aan te gaan met akkerbouwers (Rabobank4). Hiervoor moeten echter de nodige investeringen door bedrijven gedaan worden en moet er ook de mogelijkheid zijn om dit terug te verdienen. Welke randvoorwaarden hiervoor nodig zijn wordt nog onderzocht door de Taskforce Verdienvermogen (UWV2).

 NATUURINCLUSIEVE LANDBOUW

Natuurinclusieve landbouw is een vorm van landbouw waarbij voedsel geproduceerd wordt binnen de grenzen van natuur, milieu en leefomgeving, met een positief effect op de biodiversiteit. Opschalen naar een meer natuurinclusievere landbouw, van niche naar mainstream, kan langs verschillende ontwikkelingspaden. De overheid neemt het initiatief en/of financiert (bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer), de consument betaalt een meerprijs voor natuurinclusieve producten (bijvoorbeeld via certificering), de producent neemt genoegen met minder rendement, of de innovatie betaalt zichzelf op termijn terug (WUR2).

Er zijn al verschillende initiatieven gericht op een meer natuurinclusieve landbouw met daaraan gekoppeld verdienmodellen. Daarbij proberen ook grote spelers zoals FrieslandCampina een nichemarkt te ontwikkelen voor natuurinclusieve producten. Een transitie naar een natuurinclusieve landbouw is een opgave voor de hele keten en niet alleen voor de primaire producent. Bovendien is er een rol weggelegd voor de overheid, namelijk het initiëren en faciliteren van een publiek debat. Maar ook de consument heeft een verantwoordelijkheid. Kortom, een transitie naar een natuurinclusieve landbouw is een maatschappelijke opdracht (WUR2).

DUURZAAM BODEMGEBRUIK EN WATERMANAGEMENT

Het klimaat verandert. Steeds vaker hebben we te maken met extreme weersomstandigheden. Zo was de zomer van 2018 uitzonderlijk droog. Het grondwaterpeil zakte toen zo ver dat boeren en natuurbeheerders in problemen kwamen en in bepaalde gebieden regio’s niet meer mochten beregenen met water uit slootwater. Minister Van Nieuwenhuizen (Infrastructuur en Waterstaat) kondigde begin april 2019 dan ook aan te investeren in een nieuw droogteplan, waarbij grotere waterbassins aangelegd worden, om bij droge zomers te voorkomen dat er tekorten ontstaan (UWV2).

Om aan klimaatdoelstellingen te voldoen moet de Europese Unie haar CO2- en fijnstofemissie reduceren. De overheid legt steeds krappere bemestingsnormen en toenemende restricties aan het gebruik van gewasbescherming op. Dit beweegt de sector tot steeds inventievere oplossingen en brengt op termijn de bodemproductiviteit in gevaar. Duurzaam produceren wordt steeds meer een randvoorwaarde (license to produce). Het behoud van bodemkwaliteit en –productiviteit wordt belangrijker. Loonwerkers kunnen hierop anticiperen door minder zware machines te gebruiken en kennis te delen met akkerbouwers en melkveehouders (Rabobank3).

Landbouw is en blijft de grootste grondgebruiker in Nederland, maar verliest terrein aan natuur en gebouwde omgeving. De noodzaak om water duurzaam te beheren en beheersen blijft essentieel (PBL2). Scholen en bedrijven werken samen aan een opleidings- en kennisinfrastructuur op het gebied van watermanagement. Daarbij zijn bijvoorbeeld cross-overs gewenst tussen opleidingen binnen Groen en Infra.

HERNIEUWBARE ENERGIE EN KEURMERKLANDBOUW

Het aandeel hernieuwbare energie zoals opgewekt door windmolens, zonnepanelen en aardwarmte groeit hard. Bijvoorbeeld in de glastuinbouw neemt het gebruik van zonnepanelen en aardwarmte toe (PBL2). De tuinbouw werkt hard aan het verder verduurzamen van haar energiebehoefte middels biomassa, geothermie en soms restwarmte (Rabobank5).

Volgens Europese milieuwetgeving moeten in de landbouw de emissies van ammoniak, stikstofoxide en fijnstof dalen. Dat vereist een meer milieubewuste wijze van ondernemen en meer behoefte aan milieuonderzoek en –inspectie. Consumenten stellen hoge eisen aan voedselkwaliteit en productiewijze. Er vindt een verschuiving plaats van gangbare landbouw naar de meer extensieve ‘keurmerklandbouw’. Deze staat voor een kleinere veestapel en een productiewijze, die verder gaat dan wettelijke eisen rond dierenwelzijn, kunstmest en bestrijdingsmiddelen (PBL2).

 GRONDVERZET EN CULTUURTECHNIEK

Ook op het gebied van grondverzet en cultuurtechniek wordt ingezet op de overgang naar een economie die meer gebruik maakt van groene grondstoffen in plaats van fossiele bronnen. Cumelabedrijven zijn biomassabedrijven bij uitstek die van origine actief zijn in het verwerken van hout- en snoeiafval, slootmaaisel, natuur- en bermgras, plantaardig landbouwmateriaal en (dierlijke) meststoffen (Cumela).

 BLOEM, GROEN & STYLING: MAATSCHAPPELIJK VERANTWOORD PRODUCEREN

De consument stelt nog beperkte eisen aan de duurzaamheid van het product maar dit neemt wel toe. Er komt extra druk op maatschappelijk verantwoord produceren. Dit gaat om arbeidsomstandigheden, energie en gewasbescherming. Neonicotinoïden, die mogelijk bijen doden, zijn bijvoorbeeld niet gewenst. Milieu- en consumentenorganisaties dringen via de grootwinkelbedrijven aan op een verantwoorde productiewijze. Tevens heeft de Internationale sector haar krachten gebundeld in het FSI-initiatief. Dit platform heeft als doel om 90% van de mondiale sierteeltproductie en handel in 2020 duurzaam te laten zijn. Door bedrijfscertificering kan duurzaamheid worden aangetoond (Rabobank6).

Een voorbeeld van een bedrijf dat inspeelt op de duurzaamheid ontwikkelingen is Sprinklr. Bij Sprinklr koop je duurzaam groen. Ze kiezen voor buitenplanten die gekweekt zijn zonder gif. Hun kamerplantenkwekers zijn voorlopers op het gebied van preventieve biologische bestrijding. Klanten kunnen online hun planten uitkiezen en betalen.

Politiek-juridische ontwikkelingen

De Brexit brengt veel onrust en onzekerheid teweeg en heeft een negatieve impact op de uitvoer van landbouw- en voedselproducten, juist vanwege het belang van het Verenigd Koninkrijk als belangrijke handelspartner.

Vanaf mei 2018 is Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van kracht. In deze privacywet is vastgelegd welke acties en maatregelen een ondernemer moet nemen bij het vastleggen van gegevens over klanten, personeel en andere personen (bijvoorbeeld leveranciers). Eigenaren van bedrijven die met persoonsgegevens omgaan, zoals in voorkomende gevallen dierenspeciaalzaken, asiels, pensions, etc. zijn verantwoordelijk voor het naleven van deze wet. Ook de werknemer moet weten wat deze wet inhoudt, omdat hij/zij omgaat met persoonsgegevens van de klant.

In 2014 is het Besluit Houders van Dieren ingevoerd. Het Besluit houdt in dat bedrijven die met dieren werken een erkend bewijs van vakbekwaamheid moeten hebben, gericht op de diergroepen hond en kat, overige zoogdieren, vogels, vissen en amfibieën en reptielen. Dit geldt bijvoorbeeld voor dierenspeciaalzaken, tuincentra, dierenpensions, groothandels en bedrijfsmatige fokkers.

Ook is een verkoper van een dier verplicht geworden om de koper te voorzien van schriftelijke informatie over verzorging, huisvesting, gedrag en kosten die met het houden van het dier gemoeid zijn. De invoering van het Besluit heeft verschillende effecten. In sommige gevallen kan het ertoe leiden dat bedrijven zullen stoppen met de verkoop van dieren, of juist dat werknemers worden aangetrokken die voldoen aan de eis van de verplichte vakbekwaamheid (LICG).

Decentralisatie van beleid van de rijksoverheid naar gemeenten vindt plaats in onder andere het sociale domein. Dit geeft op lokaal niveau kansen wanneer gemeenten en bedrijven samenwerken. Een goed voorbeeld hiervan is de samenwerking in de groenvoorziening, waarbij gemeenten en hoveniersbedrijven de handen ineenslaan om (kansarme) jongeren aan het werk te helpen. Vooral studenten van entreeopleidingen kunnen hierbij baat hebben. Daarnaast zijn steeds meer medewerkers van sociale werkplaatsen op locatie actief in plaats van ín de sociale werkplaatsen. Zij zijn gedetacheerd bij (lokale) overheidsinstellingen en bedrijven of werken groepsgewijs op locatie, zoals in het groenonderhoud en de schoonmaak.

DESTEP INHOUDSOPGAVE